De opdracht is de oppervlakte van de groene driehoek te zoeken.
Verdeel het onderste zijde van het vierkant in 2 stukken, van links naar rechts: x en 8 – x
Door 2 maal gebruik te maken van de eigenschap dat de raaklijn stukken getrokken vanuit een punt buiten de cirkel aan die cirkel even lang zijn, weten we dat de schuine zijde van de groene driehoek gelijk is aan x + 8.
De groene driehoek is rechthoekig en dus kunnen we Pythagoras toepassen :
Hieruit volgt dat x = 2.
De oppervlakte van de groene driehoek is dan 24 oppervlakte eenheden.
We zien een regelmatige zeshoek. Veronderstel dat de lengte van een zijde gelijk is aan 1. Zoek de afstand van A tot H.
We berekenen eerst door gebruik te maken van de cosinusregel in driehoek AGF ( gelijkbenige driehoek met opstaande zijden gelijk aan 1 en een tophoek van . We vinden : .
We berekenen nu in driehoek FEH. weer de cosinusregel : . Hieruit volgt: .
Tenslotte berekenen we in driehoek AHF. Cosinusregel met zijden en en ingesloten hoek . Dit geeft: .
De groene oppervlakte is gelijk aan de rode oppervlakte.
We duiden volgende gebieden aan en noteren de schuine zijde van de gele rechthoekige driehoek a en de rechthoekszijden b en c:
Te bewijzen is dat I + V = III
De stellig van Pythagoras zegt: .
Na deling door 8 en vermenigvuldiging met geeft dit:
Vertaald naar oppervlaktes van halve cirkels geeft dit : II + III + IV = I +II +IV +V of na vereenvoudiging: I + V = III
Deze figuur noemt men ook wel eens de maantjes van Hippocrates. Ze wordt toegeschreven aan de Griekse wiskundige Hippocrates van Chios (rond 430 voor Christus).